Over dooie duifies en een schoon platje

Opdracht: Schrijf een scène waarin een jonge vrouw onverwacht bij haar opa op bezoek komt. Kies een stijl van Queneau.
 
Ik ben effe de trap opgegaan. Nou Opa was in de keuken. Die maakte een koppie thee. En een bakkie koffie. Dat doet me Opa altijd. Thee voor mijn. Koffie voor se eige. Nou dus ik effe die trap op. Ik had wat gehoord ja. Gestommel. Ik dacht: misschien dattie een kat hep. Dat dat beesie op se bak moet. En d’r niet uit ken. Dus ik naar de slaapkamer. Omdat dáár die ouwe se bed staat. Ja daarin legt ie tegeswoordig helemaal allenig. Dus ik dacht, ik denk, misschien dat ie se kat dáár hep. Nou sufferd, omdat daar vroeger me oma leg. Ja, seik niet, lag dan. Maar geen kat dus. En weet je wat er wèl leg? Een vent. Een vent met rooie wangen. Ja dat ség ik. Ik dacht, ik denk, krijg nou wat. Ja mag ik, ik schrok toch. Want kijk. Ik was gewoon effe op visiete. Ja ik denk: ik hèp tenminste nog een Opa. En die sit vaak allenig …. Maar ‘t was gelijk gek. Gelijk toen ik aan se deur stond. D’r wás iets. Die ouwe dee’ anders. Hij keek raar. Het leek wel of ie stond te bibberen. Tusse se sponninkie. Met se gulp los. Opa vergat helemaal dat ’t koud was. En dat ik nog op se stoep stond. Liet me niet eens binnen. Dus ik seg: Opa d‘r is wat. Segt ie: ik schrok me de tering. Da’s gek toch?!
 
Weet je, ik denk dat ik so blind as een vink was. Nou want iédereen wist ‘t. Sit je me nou uit te lachen Mop? Iédereen wist dat die ouwe helemáál niet allenig is! Dat ie een vriènd hep!! Niks getverdemme. Denk jij dat ‘t God wat ken schele ? Die sit toch óók niet allenig?! Wist jij niet dat God engelen hep? Duizendmiljard hoor!! Duizendmiljard engelen heptie. En helemaal voor Hem allenig ja! En állemaal jongetjes. Dat seg ik. Die kolerelijer. Nooit naar me moeder omgekeken as het donker was. En trouwens ook niet as ’t dag was. Nou affijn, waar was ik. O ja, nou, bij me opa. Die sufferd. Me moeder hep altijd gesegt dat d’r Pa se verstand in se broek hep. En dat ie se pikkie achterna gaat. Ik denk dan: ja logisch mens, hoe anders. Wat mot je as je vent ben’! Nou, waar was ik. Oh ja, bij de thee ja. Me Opa, die roept an de trap dat ie klaar is. Dus ik gaan weer naar benejen. Ik seg: Opa, ik was effe bove’. En ik sien dat je een vriend hep. Weet je wat ie seg? Hij seg: as je tegen je moeder maar seg dat ‘t een duifie was. Maar ik seg gelijk: dát gaan ik niet doen Opa. Se hep die kolerebeesten pas nog naar de hemel gemept. Ja, nou, se hadden ‘t platje volgescheten. Dat van hem dan. Dus ik seg: en je weet ‘t trouwens maar nooit Opa. Je weet maar nooit of d’r een God is. Dus ik gaan niet leggen liegen. Ik seg gewoon dat je een vriend hep. Met een pikkie. En met rooie wangen. Weet je wat ie segt? Doe geen moeite. Hij hep een dood duifie, niet meer omhoog te krijge’. Só sielig von’ik dat nou weer voor ’m. Dus ik seg; Opa wat ken jou dat nou schelen. As er maar een arm om je heen leg. In het donker. Leg toch?
Nou ja. Legt dan.
 
Maar weet je wat nou so gèk is. Ik denk dat me moeder iets vermoed hep. Want toen ik t an d’r vertelde. Se seeg gelijk in mekaar. Só op d’r schone platje. Dat van haar dan. Wát een trut hè. Ik denk nog: die gunt d’r Ouwe nou nooit wat. Dus ik duw een plens odekolonje onder d’r kanes. Ik seg, ik seg, moeder wat leg je nou te jammeren. Toch beter só dan dat ie jou in je kont knijp’? Ja wat denk jíj dan. Waarom denk je dat se die duifies naar de hemel gemept hep. Maar weet je wat se segt? Se segt: kind ik seeg in mekaar omdat ik blij ben. Want as die Ouwe een vriend hep. Dan hep je kans hè. Dan hèp je kans dat mijn platje voorderest schoon blijf’.

het verschiet

Het is even na negen, maandag. Hier binnen is het stil, de planten en mijn katertje dommelen nog, de stemmen en de verhalen van gisteren hebben het huis verlaten. Onverstoorbaar staan de dingen die ik in mijn leven verzameld heb om mij heen, mijn boeken, de bloemen die ik zaterdag kocht, dit huis nog zo kort pas het mijne. Alles gedraagt zich alsof het de eeuwigheid heeft, het licht en het nu van zopas en zoeven. Op mijn schrijftafel liggen wat boeken geopend bij de passages waar ik hen gisteren achterliet, ik werd weggeroepen, een telefoontje, de hang naar koffie, wat het eerst kwam weet ik niet. Vlak tevoren heb ik eventjes om een geluid achter me opgekeken. Alsof ik wist wat er kwam. De telefoon gaat, ik neem op.

Het is een zondag, twintig jaar terug. Mijn nichtje en ik wandelen door het bos achter haar woning in Duitsland. Het is herfst, we schoppen wat tegen de blaadjes en tegen conventies. We praten. Zij bewoont een appartement hoog op een berg, ik voed in Nederland drie jongen kinderen op, leef tussen kippen, een hond en altijd wel ergens een stapeltje wasgoed, een schrijnend tekort aan pleisters. We zeggen ‘later gaan we samenwonen, dan zorgen we voor elkaar’. We knikken, bezegelen, hebben geen notie, zij en ik. Maar we beloven.

Gisteren, het is avond, ik lees, heb zin in koffie, sta op, wat het eerst komt weet ik niet meer. Ik kijk, vlak van tevoren heel eventjes op, er is een geluid. Ik bel haar, we praten, mijn nichtje en ik, we zeggen ‘het is bijna later’. Het mag dan zijn dat de tijd vervliegt, maar niet wat er in zit.

Om aan deze bewering recht te doen ben ik op zoek gegaan naar de tijd. En dan in het bijzonder naar die, die ik ben vergeten, naar die waarin ik me versliep, naar de uren die ik gebruikt heb om er dingen in uit te stellen – en naar wat ik daarin dan deed -. Naar de tijd waarin relaties geruisloos veranderden, waarin eerst alles nog goed leek en daarna plotseling niet meer. Naar het eerste uur nadat er iemand geboren werd en naar het laatste eer iemand stierf. Naar de minuten vlak voor een overwinning, naar die in de nabijheid van een ramp. Daarvan ken ik er een paar uit eerste hand. Die van tússen het instorten van de eerste en de tweede Twin Tower. De Nederlandse Ingeborg Lariby – die in de tweede Toren juist aan ‘t werk was gegaan -, belde haar ouders die in Malaga woonden. Ze zei ‘zet de televisie aan, er is een ongeluk gebeurd, maar maak je geen zorgen, ik zit in de toren die niet is geraakt’. Ingeborg heeft nooit beseft wat wij later leerden, dat de wereld veranderde, terwijl zij sprak. In wat een jaar later een ander leven leek, kregen haar ouders het bijna in z’n geheel gesmolten bankpasje van hun omgekomen dochter thuisgestuurd, een overgebleven tastbare herinnering.

Achter aan mijn bureau, zoekend in mijn herinneringen, lopend buiten op straat, reizend in treinen en trams, op de fiets, pratend met anderen aan tafeltjes, ben naar de tijd op zoek gegaan. Overal waar ik kwam, kwam ik gewone minuten tegen, soms een paar vlak voor de meer bijzondere, die waarin levens nog net niét veranderden, soms doodgewone waarin er in het geheel niets aan de hand leek te zijn. Ze gedroegen zich allemaal hetzelfde. Zelden las ik meer over de uren waarin werelden van verschil elkaar raakten, over dagen die vrolijk en vredig begonnen zoals pas die in Parijs en vanochtend in Brussel. Ik zocht naar eigenschappen, naar karakteristieken die af te lezen zouden zijn aan de momenten waarin een ommekeer plaatshad. Vinden deed ik niets. Of liever, wat ik vond waren verhalen. Wat ik vond was niet de tijd, maar wat er in zit. Overal en altijd werd de tijd gevuld door verhalen. Ik begon me als vanzelf op concrete gebeurtenissen te richten, dwong me om alleen te kijken, nergens naar samenhang te zoeken. Ik schreef alles wat ik meemaakte op. En dan bedoel ik alles. De dingen die in mijn herinnering schoten stonden even gemakkelijk op als de impressies die ik opdeed op straat. Er ontstonden stapels half afgemaakte zinnen, korte verhalen, geschiedenissen. Mijn bureau werd een drager van tijd en liep over van de gebeurtenissen daarin. Er gingen onverwacht mensen dood, er werden aanslagen gepleegd, ergens waar het vredig was werden kinderen geboren, er werden examens afgerond, huishoudens opgebroken, anderen opgebouwd, ik zag de eerste knoppen aan de bomen, noteerde 345 streepjes bij de kop ‘langsgaan van een auto met sirene’, kocht bloemen op de markt die weer verwelkten, haalde mijn oude vader op uit zijn dorp omdat hij niet meer naar Amsterdam durfde te rijden, zong in een kerkje mee met een lied dat ik was vergeten, liet m’n haar afknippen, leefde verder zonder krullen, las een boek of tien, sprak met tientallen, brak met een familielid, besloot niet meer over haar te praten, noch te schrijven (…) voelde me alleen en wist hoe belachelijk dat was. En ondertussen groeide de stapel notities, die waarin ik geen samenhang zou zoeken, die waartussen ik geen rode draad zou spannen, aantekeningen die ik alleen nog maar over hoefde te schrijven, opdat ik zou kunnen schrijven over de tijd die zich liet kennen als blaadjes in de herfst. Ik genoot ervan de flarden van tijd te verzamelen, werd nieuwsgierig naar de dingen die zich er in af konden spelen, stelde me open voor allerlei mensen en al hun verhalen.

Die avond staat er een vrouw in het portiek, half verscholen nog wat in het donker. Achter haar benen zie ik een koffer, een mooie maar oud en versleten. Haar haren zijn stoffig, pluizig, lang niet gewassen. Ik kijk in haar ogen, steek m’n hand op, groet even, wil alweer door, naar boven, de kachel. Als ik in de deur de krant uit mijn brievenbus wil trekken, kijk ik om en hoor ik mezelf vragen ‘wilt u zich misschien eventjes douchen’? Ze knikt ‘ja’, is met de situatie verlegen, ik ook. We schuiven de lift in, zoeven naar boven. Ik neem haar jas, zet de kraan aan, vul het bad, help haar. We praten, zij in het water, ik op de badrand. Ze is alles verloren, haar man, haar kinderen, haar huis, haar werk, haar gezondheid, haar schoonheid. Wat ze nog heeft is haar trots en haar leven. Ik pak een pyjama, die van toen ik nog dun was, ze kijkt eerst verbaasd maar stilaan verdwijnt dat. Ze slaapt eer ik het licht sluit, daarna de gordijnen en de deur van de logeerkamer. De volgende morgen word ik wakker. Ze zijn vertrokken. De vrouw en haar koffer. Op mijn bed ligt de keurig opgevouwen pyjama.

De tijd die ze hier in huis doorbracht is voorbij, de tijd die we lenen van de eeuwigheid, die wij op- en nimmer hergebruiken, die waarin we besluiten nemen, weer op hen terugkomen, die waarin we furore maken en evengoed twijfelen, die waarin we de loftrompet opsteken en vals spelen. Die waarin we zijn. Even.

Om negen uur die ochtend stap ik een koffiehuisje binnen, daar waar Carmiggelt graag kwam. Ik bestel een dubbele espresso, leg Carmiggelts bundel open,‘gewoon maar doorgaan’ en begin te lezen. Naast mij schuift een man aan tafel. Hij vertelt me dat hij van treuzelen houdt, die ie als treuzelaar is geboren, dat ie veel weet over de eigenschappen van de talmende tijd. Ik verberg mijn verbazing, en leer ongevraagd over uitstellen en vooruitschuiven, over tijd die altijd aan zichzelf tekortkomt, over het dientengevolge omkomen in rommel en vergane spullen. Ik krijg medelijden, bied hulp aan, die wordt geweigerd, schrijf een paar regels op een kaart die ik de treuzelaar wil sturen, maar vergeet zijn adres te vragen.

‘Vlak voor het licht dooft, de dag je nog even een blik gunt, keren je kansen, er waait een blad weg. Je had het zelf kunnen zijn, dat licht, wanneer je niet had gekozen te wachten, te talmen en nog wat te rekken. En dat niet alleen. Je had het zelf kunnen zijn, de wind, met het blad kunnen spelen en zwiepen, het op kunnen jagen, voort kunnen stuwen en bergen verzetten. Wanneer je tenminste niet had gekozen de dag maar te laten, je tijd te verknoeien, een uur te vermorsen. Je had het zelf kunnen zijn’.

De volgende ochtend zit ik al vroeg in de tram. Er stapt een berg testosteron naar binnen. Zware stemmen in een stuk of tien stevige jongemannen, de voeten in schoenen met punten zó uitgesproken, dat we daar over een paar jaar zo goed als zeker, vreselijk om zullen lachen. ‘Die idiote mode van toen’ zeggen we dan. De jongens en de schoenen moeten in het gangpad staan, want er is nergens plaats. Ze omsingelen met z’n tienen een kinderwagen met daarin een mini-jongetje wat tot dan toe wat treurig heeft gejengeld. De duim zakt uit z’n mond, hij bekijkt de jongemannen die hoog boven hem uit toornen en slaat, zo klein als ie is, een brug over de tijd. ‘Hajo’ zegt ie tegen z’n soortgenoten, ‘hajo jongetjes’.

De zaterdag erna heeft de lente in het hoofd. Mijn huis flirt met de zon, doet schijnheilig alsof het van geen kou en winterdagen heeft geweten. Ik weet die ochtend ineens niet meer zo goed hoe je dat ook alweer doet, zomaar wat vooruit leven. Ik lees Truman Capote, lig achter glas in de zon een pyjamadag te verlezen, opgerold als was ik een prematuurtje in een Amsterdamse couveuse. Gedempt klinkt de radio op de achtergrond, de stad ver beneden, straks wordt het avond en geeft de dag het geleende licht terug aan de nacht, klimt de maan, zwijgen de vogels, gaan we allemaal slapen. Maar eerst even opstaan want ik heb beloofd te koken voor negen mensen. De moeilijkheidsgraad zit ‘m niet in het aantal, maar in de plaats waar de tafel wordt gedekt, u moet weten dat dat gebeurt in het huis van de gastheer, en dattie naast het Concertgebouw woont. Ik dacht nog toen ik mijn hulp aanbood, dat het ’t beste zou zijn maar aan het fornuis van die gastheer te koken. Maar nadat ik eenmaal naar de Albert Cuyp ben gefietst, kilo’s groenten heb gehaald, een stelletje koningsoesterzwammen en een tree verse kruiden ben ik toch weer naar huis teruggefietst. De recepten leken ingewikkeld en dan sta ik maar het liefst aan mijn eigen aanrecht. Vier geurige uren verder zijn alle gerechten klaar. Omdat ik geen Tupperware bezit stop ik al het mooie in schaaltjes, in weckpotten, flessen, dingen zonder deksel. Ziet u het voor u? Drie kilo in citroenrasp en olie gebakken aardappeltjes, negen poten kip gebakken in citroen, olie en knoflook, negen in sardines en knoflook gesmoorde grofgesneden reuzenpaprika’s, een stapeltje – op houtmot – voorzichtig gerookte koningoesterzwammen, platte Turkse broden, slakroppen, zelfgemaakte mayonaise van ei, olie mosterdzaad en azijn, gegrilde plakken aubergines, deeg voor taai-taaikoekjes en glazuur geklopt van eiwitten, cacao en poedersuiker. Ik laad alles aan, in en op mijn fiets, in de bak die ik ooit aan het stuur liet monteren, in tassen aan het stuur en in de tassen achterop. En zo fiets ik door de stad. Het is zes uur, volle spits. Slim wel – ik ben bijna zestig -, fietsend over het Leidseplein tussen alle auto’s en bakfietsen met juppenkinderen. Voort gaat het, over de tramrails. De pannetjes rammelen, de gesmoorde kip is minstens zo nerveus als ik, mensen kijken om wanneer ze me voorbijfietsen, een enkeling lacht, ‘dát ruikt lekker’, ik kijk star voor me uit, want allemachtig stel toch dat ik zou komen te vallen. En ik herinner mij, een koude zondag, een jaar of drie geleden. Ik woon nog in Den Haag. Mijn studentendochter is ziek. Ik neem, om wat te helpen, haar wasgoed mee nadat ik haar heb opgezocht. Het heeft gevroren, de straten zijn bedekt met ijs. Er hangen twee grote tassen aan mijn stuur. Ik heb haast en besluit een langzaam rijdende scooter te passeren, een inschattingsfout van jewelste. Eentje waar ik nog drie jaar last van zal houden. Want ik val en de tassen legen zich over straat. De sierlijke kledingstukjes van mijn dochter liggen verspreidt op het asfalt. De mensen die me te hulp schieten kijken verbouwereerd van mijn Surinaamse derriere naar de elegante dracht van mijn kind. Had u, net als het jongetje in de tram, een brug over de tijd kunnen slaan, u had mij op die middag en ook op die latere voorbij zien fietsen, en geweten ‘zij leert het nooit’.
Die eigenschap heb ik doorgegeven. Die van roekeloosheid. Aan mijn middelste zoon. Hij belt. ‘Mam, heb je morgen tijd’? Ik knik van ‘ja’, want vaak zie ik hem niet, hij woont in het buitenland, en niets kan belangrijker zijn dan te luisteren naar mijn kind. Ik kijk in zijn stralende snoet, het is een dag later, we zitten in het Amsterdamse café. ‘We reden over een volkomen verlaten snelweg in Duitsland. Een heldere nacht. Geen verkeer, in de auto sliep iedereen, behalve de chauffeur. Hij reed rustig. Mam, we hebben een auto-ongeluk gehad’, en dan, nog vóór ik in paniek raak, stelt hij alweer gerust, ‘de airbags hebben ons gered, we hadden geen schram, terwijl ie toch dwars door een afzetting heen was gereden en de aanhanger achter onze auto ons alle kanten op had kunnen zwiepen. We hadden ‘m wat zwaarbeladen’. Ik waarschuw, biecht mijn avontuur op, dat van de fiets, we zeggen ‘we zullen voorzichtiger wezen’ en weten allebei dat het niet waar is.
Met de schrik in mijn lijf ga ik weer naar huis en keer, nog maar koud achter mijn bureau, in gedachten terug naar een dag waarop mijn adoptiemoeder mij thuisliet. Ik moet voor die herinnering een hele grote sprong door de tijd voor maken, geen idee waarom ik me juist die dag voor de geest haal. Misschien omdat ik geruststelling zoek die ik in het nu en hier even niet kan vinden.

We schrijven 1963. Ik woon nog maar nét bij haar, het verblijf in het kindertehuis waarin ik mijn eerste jaren had doorgebracht, kleeft nog aan mijn huid. Misschien had ik die ochtend wat pijn in mijn keel, ik weet het niet meer. Ik mocht bij haar op de bank, kreeg een kussen en een deken, dommelde wat. Dan kreeg ik een ijsje, weet me veilig. Ze geeft me een boek waarin platen van Vincent van Gogh, we kijken samen, ze vertelt en wijst aan, legt uit, het is een ochtend die ik, zonder het te weten, moeiteloos in de eeuwigheid plaatste, zodat ik me voor altijd herinneren zou.

Ik sta op, begin duizend dingen te doen. Eerst de was, dan de strijk, dan verstel ik wat kleding, veeg het balkon, schrijf een kort verhaal voor de krant, voed de planten, haal een paar telefoongesprekken in die zijn blijven liggen, doe alsof ik leef met de duivel op m’n hielen, zo wonderlijk, want zat er zojuist niet nog een engel op mijn schouder?

Pas wanneer ik de Vijzelstraat oversteek en een uurtje in het Gemeentearchief rondloop, kom ik tot stilstand. Ik wandel er door de gangen en kijk naar een paar schilderijen van Van Gogh, ik lees zijn brieven, zoals die daar liggen, heel dichtbij, achter glas. Vincent schrijft zijn broer, vertelt over de stad, de bomen, de straten, de grachten, verteld over zijn dromen. Zijn handschrift is klein, de inkt alsof ie gisteren op het papier is aangebracht, hoe ongelooflijk dat ik ze kan lezen, dat ze bewaard zijn gebleven, die brieven. Bijna zie ik zijn hand gaan, bijna zit ik naast Vincent in zijn kamer. Ik zie het bed, de lampetkan, het raam. Hoe ongelooflijk dichtbij kan een talent iemand bij een ander in de buurt brengen, hoe ongelooflijk het vermogen van kunst om bruggen over tijd en afstand te slaan. Thuisgekomen ontfermt het huis zich over mij. Ik kruip op de bank, pak een kussen en een deken.

De volgende ochtend begint mijn dag in het Concertgebouw. Van de tijd wordt wel gezegd dat ie vliegt wanneer je doet waar je van houdt, dat ie langzaam stroopt wanneer de dingen tegenzitten. Maar eigenlijk geloof ik daar niet in. Eigenlijk denk ik dat ie helemaal niet beweegt. Eigenlijk denk ik dat er een raster onder de dingen ligt, eentje waarin de dingen keurig op hun plaats liggen. Ben je in staat wat afstand te nemen, je kunt één voor één naar die verhalen kijken en hen zien liggen niet ná elkaar, maar naast elkaar. Laat mij u zo’n raster eens schetsen.

Oudjaarsdag 1995. Ik woon met mijn kinderen in Brabant. Mijn dochter Rozah is drie, haar broertjes zijn acht en dertien. Haar krullen stralen blond rond haar gezichtje, ze weet dat we vandaag naar het Concertgebouw gaan, daar alleen gaan luisteren, niet praten. Na de lange reis gaan ze, stevig onder de indruk om de omgeving, met z’n drieen op een rijtje zitten. Ik sta nog even in het gangpad, wat om me heen te kijken. ‘Mam, kom nou zitten’. Als bij afspraak gaan de duimen in de mond wanneer de muziek begint. Ik kijk nog even rond in de herinnering, geniet van de gezichtjes. Dan glijd ik nog verder terug in de tijd. Naar een dag in 1992, die waarop mijn dochter werd geboren. Die ochtend help ik de jongens naar school. Ze zaten aan de tafel. Het brood moest gesmeerd, de bekers gevuld, ze hadden nog even, misschien een kwartiertje, dan zouden ze rennend voor de schoolbel uit over het plein gaan, seconden voor de deuren werden gesloten, nét op tijd binnen glippen. Ondertussen kondigde hun zusje zich aan, ik was wat onrustig, bleef onder ’t smeren van het brood bij de tafel staan. ‘Mam, kom nou zitten’.

Toen zij die middag na aardrijkskunde, gymnastiek, geschiedenis en op het schoolplein nog even ravotten en met vuile knuisten en zwarte toeten naar huis terugkeerden, lag in de wieg een weelderig zusje.

Niemand zal van zo’n alledaags verhaal opkijken. Niemand zal het raster onder de gebeurtenissen in kleine levens ontwaren, niemand zal op de dag en het uur nauwkeurig zijn leven inrichten, doelbewust zinnen herhalen. De dingen lijken los van elkaar te staan en ons te overkomen. Dat ik, min of meer per ongeluk een raster ontdek onder het mijne verrast me. Ik ontdek het aan de hand van de links en rechts rondslingerende notities. In het jaar 1977 sterft mijn moeder. Mijn zussen en ik zijn dan 9, 14 en 19. Jaren later, in 2001, het jaar waarin mijn grootmoeder sterft, zijn op hun beurt mijn kinderen, 9, 14 en 19. Straks in de zomer van 2016 zijn mijn kinderen 24, 29 en 34 en daarmee alle drie precies even oud als ik toen ik hun moeder werd, 24, 29 en 34. Niet dat ik hier iets zinnigs over zou kunnen zeggen anders dan dat het me fascineert. En me andermaal afvragen, ligt er onder de werkelijkheid een ruitjespapier? Kunnen we daar een puzzel van leggen?

Dat de postbode de volgende ochtend een ansicht brengt van mijn oudste zoon is toeval. En ook dat hij schrijft over een puzzel die ik hem gaf voor ik voor een paar maanden op reis ging.

“Há moeder, je puzzel ligt ongelegd op tafel, in de doos waarin jij ‘m aan me gaf toen ik je de laatste keer zag. Het was september, de herfst kondigde zich aan en jij zou weldra naar de andere kant van de wereld gaan. Je zei dat er zes stukjes van ontbraken dat ik het zou begrijpen als ik de gaten in het grote geheel zag. Als het eenmaal voor me lag. Ik beloofde daar en toen dat ik ‘m zou maken als ik echt niets anders te doen of te denken had. Ik weet – het is nu lente – de tijd voor puzzels leggen is laten we zeggen als er niets anders nog te doen en denken is dan louter puzzels leggen. Op die momenten in de uithoeken van een stilverlichte kamer in de zwarte winternacht, waarin alleen een puzzel nog op je wacht. Die momenten waren, zijn en komen er genoeg, maar we laten het ons niet toe. Het valt misschien zo uit te leggen: de puzzel wacht nog altijd en is nog steeds onaf maar ik denk telkens weer aan jou als ik de deksel ervan optil”.

De dingen blijven in een leven onaf, de tijd zullen we nooit vinden, maar we kunnen uit haar putten, al van wie je houdt en van wie je hield houden zich er in op, alles wat ooit in de wereld gebeurde, mis ging en weer goedkwam, ligt in het verschiet van de tijd. Onze ouders, en die van hen, onze kinderen en hun kindskinderen, generaties die elkaar nooit zullen kennen.

Ik ben van de tijd gaan houden, misschien wel juist omdat ie zich niets aantrekt van onze kalender, niet van de haast waarmee we de ochtend beginnen, niets van ons humeur in een langzame middag of propvolle avond. Ze houdt zich niet op met wat wij achterhaald, vooruitstrevend of anderszins vinden. De tijd is groots, herbergt en omarmt al onze verhalen, als de eeuwigheid.

Met een kop koffie in mijn hand zie ik de wolken gaan, over de stad, ze vertrekken, rustig, ze blijven voor de aardigheid even boven mijn zadeldak hangen. Ik prik wat slingers aan de randen van hen aan de hemel, teken een taart op het raam, want mijn zoon heeft vandaag zijn rijbewijs gehaald en kan zélf – en voorzichtig – een auto besturen.

Bianca Schriek
met dank aan Jacob van Hoof

over de ruwheid van een gevoelige kwestie

Om ons heen is juist de winter begonnen. Het kraakt buiten van kou. Op de ramen tekenen de eerste ijzige bloemen zich af. De lampen gaan vroeg aan want het donkert al eer de klok zessen wijst. Het lijkt al veel later, maar dat is het niet, want net nog sloeg de klepel zijn uren en heb ik hen één na één geteld. In het huis waar ik ben trekt het licht zich terug van de trappen, het verdwijnt uit de keuken, uit de vestibule, het trekt schaduwen in de eetkamer en ten laatste verstrijkt het hier in de kamer waar ik naast mijn vader zit. Langzaam raakt alles in duister gehuld. Ook vader zelf. ‘Waarom draagt u toch nog steeds zo’n hopeloos ouderwetse broek, u heeft een gulp van krap een meter’, heb ik hem plagend gevraagd. Hij heeft goeiig naar me geknikt, zijn schouders ongemerkt even geschud, hij bekijkt ernstig z’n broek en die gulp, daarna z’n sloffen, schikt wat aan z’n trui, schudt zijn hoofd en leest onverstoorbaar verder, op zijn schoot als altijd een boek. Dan vraag ik aan hem ‘kan ik iets voor u doen’? ‘Breng me maar wat thee Rebecca’ en dan, zijn gezicht vriendelijk naar me gericht ‘vind je het goed wanneer ik vanavond wat vroeger ga liggen’? Als ik glimlachend ‘ja’ zeg staat hij op, streelt me over het hoofd en wenst me goe’nacht. ‘Je moet weer van de zomer gaan houden kind, het licht is er heerlijk’, zegt hij.

De ochtend erna ben ik vroeg wakker. Ik sta op. De kat ligt op een stoel te slapen. In vaders kamer is alles nog stil. Ik ben even gaan kijken, heb hem zachtjes gegroet, heb hem stil laten liggen, in het vertrek rondgekeken, alles was goed. Daarna heb ik de deur gesloten. Buiten waaide het straf. Ik liep tussen het duingras over de paden, hield mijn neus in de lucht en bereikte in een kwartiertje het hoogste duin, zag de zee, overdacht dat ik in de komende lente misschien weer wat zou kunnen gaan zwemmen. Voor mij uit hoorde ik een gerucht. Ik hief mijn hand tot boven de ogen, en keerde terug naar het huis. Het was alsof ik wist wat er kwam.

Thuisgekomen knip ik een lampje aan. Ik heb er even over getwijfeld. Misschien is het beter het hier donker te laten. Vader ligt nog altijd te slapen. Misschien dat het licht hem hindert. Ik zal zo eens naar hem gaan kijken, vragen of hij iets nodig heeft, zien hoe het met hem gaat. Wanneer ik hem zijn ochtendthee breng en zijn beschuitje, z’n kussen opschudt zegt hij ‘Rebecca ik heb besloten dat ik niet meer op ga staan’. ‘Het is goed geweest, ik wil gaan’. Voor ik kán protesteren kijkt hij me ernstig aan. ‘Ik weet dat het tijd is Rebecca, je bent sterk en je bent veilig hier in dit huis’

Soms in de eerste dagen en nachten na zijn besluit is hij wakker, dan vertelt hij, over vroeger en over hoe het leven hem als jongen verging. Hij vertelt over de stad, over hoe het eruit zag, hoe de grachten soms stonken, over de karren, de modder en blaffende honden. Ik verbaas me over zijn krachten, over hoe hij hen aanwendt, over zijn behoefte nog te willen vertellen over zijn moeder, zijn broers en zijn zusters, zijn vader, het ouderlijk huis. Ik hoor in zijn stem de armoede over de straten heersen, voel de kou in de stegen van de oude stad, ik luister naar het kabaal van ratelende karren over de sintels op straat. ‘Het leven was ruw kind, we spraken nooit over gevoelige kwesties, we werkten van ochtend tot avond, verdienden nauwelijks ons brood. De tijd gedroeg zich anders dan die van vandaag’. Hij schetst mij zijn moeder, hoe zij op vrijdag de vloeren eerstens met zand bestrooide, daarna met theeblad, hoe ze de ganse dag waste en boende, twaalf kinderen kreeg. Hij vertelt hoe hij ’s avonds op de tafel mocht zitten, wanneer de lantaarns buiten op straat werden aangestoken. Hoe hij daarna naar bed moest in de kamer met ijs op de ramen, en moest proberen te slapen op een steenkoud matras.

We hebben altijd van de winter gehouden, vader en ik, we zaten op onze knieeen naar buiten te kijken ’t liefste vanaf het eerste moment waarop het sneeuwen begon. Hij wees me op de zilveren glans wanneer de vorst zich vast had geklonken rond struiken en takken, hij hing bolletjes vet in de boom achter zijn huis, reeg kettingen van pinda’s voor de vogels, schepte de sneeuw van het pad, legde de mooiste vlokken ervan in mijn hand. Het was alsof hij me de winter leerde, van de kou en de stilte te genieten, van de natuur en ieder aspect ervan.

Ik herinner mij de geluiden in ons huis ’s avonds in bed wanneer ik zomaar wat te luisteren lag tot diep in de avond en op uren waarop ik eigenlijk al behoorde te slapen. In de tuin achter ons huis kinkelde het gedempte geluid van rollende kolen, zodat ik wist dat vader de warmte voor de volgende dag in de kolenkit schepte. Ik hoorde zijn knerpende voetstappen over het sintelpad en besefte dat ik gelukkig was.

Soms, wanneer ik ziek was en moeder moest werken bleef mijn vader thuis om op me te passen. Dan mocht ik stil tegen zijn schouder, mijn hoofd vlakbij het zijne, z’n arm om me heen. Hij vertelde me zijn verhalen, eigenlijk steeds dezelfde, ’t liefst van die sterke, over hoe ik bij hen terecht ben gekomen en over het toeval dat zo wonderlijk zijn gang was gegaan. Ik vond het verhaal van hoe ze me hadden gevonden prachtig. Tenminste het einde ervan. Ik huiverde om het begin.

Vader vraagt zacht om wat fruit. Ik ontvel een pruim, neem de pit eruit en knijp in het vruchtvlees, leg het sap op zijn lippen, voorzichtig want ze zijn weerbarstig geworden en droog. Hij glimlacht, ik vraag ‘ben je bang’ hij zegt, ‘nee hoor, hoe zou het ook kunnen, ik ben immers nog nooit eerder doodgegaan’. Waar ik dan om moet lachen, alleen hij kan zo naar de dingen kijken, de vinger precies op een vergissing kan leggen, want zeg nu zelf, hoe zou je bang kunnen zijn voor iets wat je nog nooit hebt gedaan?

In de dagen hierna leert hij me de dood te aanvaarden die in hem naar binnentreedt. Kort nadat hij is gestopt met eten en drinken heeft hij me zachtjes gegroet en zijn ogen gesloten. Er is in de kamer een stilte gevallen van een soort die ik nergens van ken. Het is er een waarin ieder geluid van de wereld wegvalt. Er zijn geen spelende kinderen buiten op straat, ik hoor geen gekwetter van vogels, geen geritsel van bladeren, het kan niet, want niemand is zich bewust van wat hier in huis gebeurt, en toch, alles verstomt. De stemmen waarmee we zoeven nog wat probeerden te praten, nog iets aan elkaar willen vertellen, verstillen, ieder geluid wordt zacht en gedempt. Zelfs de armen die we bewegen, om elkaar heen willen leggen, houden zich één voor één stil. Vader lijkt zich ieder uur verder terug te trekken, onaanraakbaar te worden, het is alsof hij doorzichtig wordt, breekbaar, fragiel.

Terwijl ik hem toe dek, de dokter moet bellen, hoor ik hem weer vertellen over de dag waarop hij mijn vader werd.

‘We kunnen nauwelijks iets meer dan dertig jaar oud zijn geweest toen je hier voor ‘t eerst over de drempel binnen stapte. Breed lachend stonden we daar. We namen je jas, je muts en je wanten, streelden je haar. We duwden de deur naar de kamer achter ons open, ruggelings hielden we hem zó dat je naar binnen kon gaan. Je hief je gezichtje vragend naar ons op. ’Wil je wat drinken Rebecca, heb je dorst’? Je moeder had een prachtige stem, donkere ogen, zwart krullend haar. We zijn met z’n vieren de kamer binnen gegaan. Wij, de juffrouw die je gebracht had en jij. Je zei tegen ons toen nog ‘meneer’ en ‘mevrouw’, kwam enkel op proef. Je mocht op een stoel, kreeg een kop thee en een kommetje melk waarvan je voorzichtig, om beurten, telkens een slokje nam. Daar lachten we vriendelijk om. Wat je niet leuk vond, je deed liever meteen alles goed. Niemand had het je voorgedaan. Toen de juffrouw vertrok, was je eventjes bang, maar je bent niet gaan huilen, hield je stoer. We hebben spelletjes gedaan en ik las een verhaal, je hebt ook nog even aan onze  hand gewandeld, een rondje om het huis, verder durfde je niet. ’s Avonds aten we worteltjes, kip en wat rijst, zoveel weet ik er nog van. Je deed het goed. Je luisterde naar wat er gezegd werd en ook naar de toon waarop wij gewend waren met elkaar te spreken. We spraken zacht en ieder om beurten. Zo anders dan waar je vandaan kwam, dat tehuis waar iedereen schreeuwde en waar de ruimtes gevuld waren met altijd kabaal’.

Wanneer de dokter komt en bevestigd wat ik al weet, hoor ik mijzelf aan hem vragen of hij iets weet over vroeger, iets over de ouders uit wie ik geboren ben. De dokter schudt van nee, vraagt me, net als vader deed, de geschiedenis maar te laten. ‘Laat het rusten kind, het is een gevoelige kwestie, je kent de ruwheid er niet van’.

De natuur kleedt zich om, tast naar haar kleuren, speelt met mijn ogen en draagt de winter achter mij weg en de tijd om en om. Het is lente geworden, en zomer, weer herfst en weer winter. Een vol jaar is om. Ik ben gewend geraakt aan de stilte in huis en aan het leven alleen, ontmoet af en toe wat mensen, meestal iemand uit het dorp. Dan maak ik een praatje, luister wat. Ben ik weer thuis ik kap rond het huis de oude bomen weg die het licht in het huis wegnemen, prepareer haardhout voor de winter aanstonds, red me best zo alleen. Eerlijk gezegd ben ik op mijn best in de winter, bevind ik mij het liefst rond een knisperend houtvuur in de keuken. Ik ben een dromer, houd van vroeg donkere dagen waarin ik mijmeren kan. Ik geniet van de warmte van koesterende dekens, houd van de diepte en intimiteit van de nacht. ‘s Winters draag ik vaders trui en van moeder een sjaal om de schouders, op mijn hoofd prijkt vaders hoed. Ben ik buiten ik heb altijd een doosje lucifers op zak, om een sprokkelvuurtje te kunnen stoken tijdens mijn wandelingen, diep in het bos.

Pas wanneer de tweede winter haar kilte vooruitwerpt klauter ik de vliering op en zoek ik op mijn knieën de koffer waarin onze wanten, een paar stevige schoenen, wat dekens, een hoed en een pet en een paar potten met vet worden bewaard. In een klein kistje vind ik een brief, een akte, wat foto’s, een sleutel. Ik lees.

‘Die ochtend zitten mijn man en ik op de waranda van ons huis. We wonen even buiten Parijs. We drinken koffie. Het heeft niet geregend, de temperatuur is aangenaam hoog. Mijn man haalt adem en begint aan een zin. Je moet weten dat wanneer hij tegen me sprak dat was wanneer hij iets van me verwachtte. Ik bedoel dat we geen gesprekken voerden. Wanneer hij iets vroeg dan kon het gaan om aandacht, om koffie, een maaltijd of in vroeger jaren om het bed. We deelden niets. Niets meer dan mijn dodelijke angst. Het geweld begon kort na ons huwelijk. De gedachte hem te kunnen ontvluchten kwam nooit bij me op. Tot die ochtend om even na elf. Ik had een tweede kopje koffie geschonken. Mijn man pakte de krant. ‘We hebben niets in huis voor vanavond’ zei ik. Mijn man stond op. Negeerde me. Ik begreep dat hij me niet naar de winkel zou willen rijden, alleen gaan stond hij me niet toe. Ik keek naar de tuin, naar de bloemen. Liep naar de slaapkamer. Er waren geen grote gebaren, geen emoties die me konden verwarren. Hoogstens was er heel even een donkere pijn. En één gedachte ‘ik heb er genoeg van’. Ik stond voor mijn linnenkast, pakte mijn koffer, wat kleren, wat geld. In de zitkamer zei ik zacht dat ik zou vertrekken. Mijn man trok zijn schouders op, ik betwijfel of hij me werkelijk gehoord heeft. Ik liep naar de voordeur, ontsloot ‘m, vertrok. Zo eenvoudig ging het. Ik was weggegaan. Het was mijn verjaardag. k liep de lange weg naar mijn ouderlijk huis. De tocht verliep kalm. Ik kon niet geloven dat ik werkelijk gegaan was. Het huis stond er nog steeds. Het behoorde mijn familie. Het had jaren leeggestaan. Maar ik heb het opgeknapt. Het huis is voor jou. Ik heb geprobeerd je terug te vinden, ik wist tenslotte je naam en ook waar je naar toegebracht was. Maar ik was te laat. Je was al vertrokken’.

Ssssssttttt

We zijn niet bang, we zijn niet bang, eendrachtig stappen we weer op de fiets. Want ja wat moet je en wat kun je. We zijn niet bang, we laten ons niet kisten, een minuut, een hele, stilte. Voor de storm. 

We zoeken steun in ’t triviale, troost voor ’t leed dat niet ons zelf, maar anderen overkomt. We huilen tranen, rood wit blauwe witte rood. De angst die om het hart slaat is ons nog te groot. 

In plaats van haar te sussen, kan ik haar maar beter voelen, met haar leren omgaan en doorstaan, zodat ze me kan leren reiken, naar wie in het oog van stormen staan. 

Het angstige midden

Gisteren was ik bij de begrafenis van iemand die is gestorven terwijl ze midden in het leven stond. Ze zei ‘ik kom zo’ tegen haar man die vast naar bed ging, ze rommelde nog wat in de keuken, deed de lichten uit, wilde de trap op, naar boven. Maar zover kwam het niet. Eer hij diep genoeg was ingeslapen, hij zich in zijn eerste slaap wegzakkend afvroeg, waar ze toch bleef, was zij door de dood bij de hand genomen, hier al weg, voor altijd in slaap. 
In Parijs stak een meisje een lepeltje soep in haar mond, de jongen tegenover haar pakte zijn servetje op om een sliertje van zijn kin af te vegen. 
Misschien dat hij haar net ten huwelijk heeft gevraagd, misschien zitten ze er in een eerste date, hebben ze elkaar door Tinder leren kennen. 
Ook zij worden door de dood bij de hand genomen, een kogel, een bom, weg zijn ze, voor altijd in slaap. 
Vanmorgen durf ik niet naar het Concertgebouw, niet naar de Amstel om naar de intocht van Sinterklaas te gaan kijken, wil ik niet naar de kerk omdat ik geen bemoedigend woord meer kan horen, ik zit aan mijn ontbijttafel, luister naar het nieuws, naar de commentaren. Ben bang. 
Druppelsgewijs leert de tijd me begrijpen, niet alleen wat iemand die vlucht overkomt, maar ook wat hij voélt. 
In plaats van haar te sussen – de angst die we voelen – is het denk ik belangrijk haar te erkennen, angst heeft de eigenschap een midden te vormen tussen twee ongelijken … de een mèt en de ander zònder een thuis. 
Misschien brengt ze ons samen, leert zij ons begrijpen, misschien is angst de moeder van solidariteit.

yesterday 

Yesterday, an unexpected day came by. And – as his wont – took over mine. It told its life and all its wonders, spoke for hours, the day and I. 

About our talent and our longings. ‘I want to live my dreams’, it cried. ‘Live your legend,’ I replied, ‘cause then you start to shine on others’.
And so we talked until the morning came. A storm had calmed, the sun had shone upon our aim. ‘Call in and try another day,’ it said. And I? 
I waved goodbye and stayed at home, as ever writing on a poem, for days who’ve visited my home, the sweet, the fragile and the strong ones. 
Bianca Hiemcke Schriek 2015

Dromen

 Nu mijn dromen mij binnenstebuiten keren, mijn ziel op straat en mijn innerlijk bloot, nu al wat ik wenste in mijn schoot lijkt te worden geworpen, mijn borsten kinderen gelaafd en mijn hart haar zinnen onthult, nu mijn voeten over de straten waarin ik mij thuis weet de weg blindelings vinden, mijn haar in de zon en mijn ogen gerust zijn gesteld, herinner ik mij al vergat ik het vaak, G’d gaf mij – ik weet niet waarom – het bestaan van een Zondagskind. 

La Robe bleue

Waarom ik het nu zo heerlijk vind om in een willekeurig hotel de ville, ditmaal in Zwitsers Bex, een veel te sterke koffie te drinken er stil te lezen, te schrijven, automatisch afgezonderd van de omgeving omdat ik mij in vreemd gebied bevind, waarom ik het zo heerlijk vind, te kijken naar veel te ronde oude mannetjes die van hun doorgezakte fietsen stappen, naar binnen treden, hun vrinden groeten, een pinot bestellen – ’t is notabene nauwelijks elf – waarom ik denk ‘die maken vanavond niks meer klaar’ en dan in mezelf moet lachen omdat die gedachte redelijk onbetamelijk is, waarom ik het zo heerlijk vind, de middag traag de ochtend binnen te zien lopen, nog om een koffie vraag, een bladzij lees uit Ton Rozeman’s ‘misschien maar beter ook’, naar getaande snoeten kijk, engels spreek tegen de ober, zodat de mannen om me heen hun gesprek vervolgen, onbespied als zij zich wanen nu zij denken dat ik hen niet versta, waarom ik het zo heerlijk vind wist ik bij het binnentreden niet precies, – ik doe dit overal, ’t liefste in mijn eentje – maar tijdens het zitten wordt het zo duidelijk als kristal. “Zullen we op het terras gaan zitten” vraagt Pinot één. “Wacht nog even” zegt daarna nummer twee, ik verzamel nog wat moed, dan vraag ik die dame in het blauwe jurkje mee”. “Nee niet omdraaien nog, straks pas even ogenschijnlijk kijken, jij idioot”. “Waar moet ik op letten” vraagt ‘twee’ “? “Rodin”, zegt hij, “ze is rond als een Rodin”. Zijn moed duurt tot iets na half twaalf, een seconde eer ik ‘non merci’ zal zeggen in mijn mooiste Frans, daar al wiebelend op zijn levenslustige maar wankele benen arriveert Jan (92) die even wat te werken had. Hij steekt zijn arm uit, ik steek in. 

Over perspectief 

 ‘k leer hem kennen tijdens de colleges wijsgerige ethiek. Hij is over de negentig en geeft desondanks les – op Nijenrode -, hij zwemt, reist en zit in de sauna. Als we praten gaat het er op, hij kijkt naar mij als een onbezonnen veulen, ik vind zijn gedachten bij tijden antiek. We zijn samen op reis, hij voor het laatst omdat hij zo oud is, ik misschién voor het laatst omdat ik nooit iets gespaard heb. Hij zegt: ‘ik wou dat ik het gekund had, zoals jij op de bonnefooi en voor ‘god en vaderland’ leven, dat ik mijn klok gelijk had durven zetten met het zonlicht, het toeval en met kinderstemmen. Ik kijk naar hem, een man die havens gebouwd heeft, landen ontsloten, iemand die werkte met baggeraars even gemakkelijk als met koningen en presidenten. Het is vijf uur in de ochtend, voor ons de bergen, we kijken naar het ochtendgloren. Het is stil, ’t duurt nog maar even eer de vogels gaan fluiten. 

Over de liefde

Dat ze dementeerde hinderde ons eigenlijk niet. Natuurlijk, voor háár was het treurig, zij immers verloor haar huis en haar eigenmachtig leven. Niet haar sierlijkheid – want die behield ze – en ook een schaduw van haar humor week niet van haar. Alexandra is het zusje van mijn grootmoeder ‘Dag Elizabeth’ straalt ze me tegemoet, ze houdt m’n hand vast, zingt liedjes met mijn kinderen. Die laatsten zijn dol op haar, tante Lex immers zegt malle lieve dingen. Als ze, na haar sterven, in een urn ons huis betreedt, leg ik aan de kinderen uit dat tante Lex in een hele mooie vaas naar Suriname wordt gebracht om bij haar ouders te worden begraven. Ze begrijpen het, kijken wat schichtig naar de vaas. Mijn dochter besluit dat het belangrijk is om tegen tante Lex te blijven praten, dus zij legt haar uit: “je staat nu op mijn boekenkastje” en “als je nou goed kijkt kun je me daar zien buitenspelen met mijn vriendinnen”. Niemand vindt het nog langer gek, mijn dochter heeft in de kwestie hoe met de dood om te gaan met haar kinderhand de weg gewezen. Wanneer het avond wordt en de tijd van het naar bed gaan is bereikt, roep ik de kinderen “kom jongens we gaan naar boven”. Het klauteren begint, één voor één sjouwen ze de trap op. Dat mijn zoon de urn van tante Lex voorzichtig oppakt en onder zijn arm mee naar zijn kamertje sjouwt, ontgaat me in de drukte. Kom ik hem even later in zijn kamertje toestoppen en een verhaaltje lezen, zijn frisgewassen neus een knuffel brengen, ik zie de urn op het nachtkastje. “Ze wilde niet alleen slapen” zegt hij, z’n duim al in de mond en de ogen al half gesloten. Het verhaaltje laten we die avond maar even zitten. Ik zing een liedje voor hen beiden.